Op 6 oktober zond PowNed een aflevering van Rutgers lobby uit over de transgenderzorg in Nederland, n.a.v. de publicatie van een rapport van de Gezondheidsraad in juni 2026. De aflevering is hier te bekijken.
In de aflevering sprak Rutger Castricum met diverse personen die betrokken zijn bij de transgenderzorg in Nederland: Armand Girbes als hoogleraar intensivecaregeneeskunde en klinisch farmacoloog, Johan Oosterhagen als advocaat van ouders van kinderen met genderdysforie en Pieter Omzigt als ex-politicus en Sophie Hermans als minister van VWS.
In de aflevering wordt herhaaldelijk verwezen naar het rapport van de Gezondheidsraad over de transgenderzorg in Nederland. In dit rapport concludeert de Gezondheidsraad dat de transgenderzorg in Nederland zorgvuldig en goed is ingericht, hoewel ze ook aanbevelingen doen voor verbetering. In het rapport wordt echter ook erkend dat de bewijslast voor de manier van behandelen zoals het op dit moment gebeurt (ook wel het Dutch Protocol genoemd), laag tot zeer laag is en waarschijnlijk ook zal blijven. Deze lage bewijslast voor de behandelwijze was voor een aantal landen om ons heen reden om af te stappen van de zogenaamde ‘Dutch Protocol’ en nogmaals goed te kijken naar hoe de transgenderzorg is ingericht. In Nederland gaf de het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport n.a.v. Kamervragen (over de veiligheid en effectiviteit van puberteitsremmers en genderbevestigende hormonen) opdracht aan de Gezondheidsraad om onderzoek te doen.
De experts
Hoogleraar en klinisch farmacoloog Armand Girbes heeft zijn zorgen over het Dutch Protocol. Hij geeft aan dat er vaak benoemd wordt dat het Dutch Protocol goed onderbouwd is, maar dit is dus niet waar. Dat bevestigt ook de Gezondheidsraad. Girbes benoemt dat er weinig tot geen bewijs is dat de behandelingen zorgen voor meer geluk, minder depressiviteit of suïcidepogingen, hoewel dat vaak wel geclaimd wordt en ook een doel van de behandeling is. Girbes stelt dat bij elke andere behandeling met zo weinig bewijs gestopt, of minimaal gepauzeerd, zou worden met de behandeling – precies wat andere landen wel hebben gedaan. Natuurlijk moeten mensen met genderdysforie geholpen worden, zegt ook Girbes. De vraag is echter of ze op deze manier inderdaad op de beste manier geholpen worden. Het is volgens Girbes niet te onderbouwen dat ze op dit moment op de beste manier geholpen worden.
Johan Oosterhagen geeft aan dat ouders vaak bij hem komen als het in de diagnostiekfase niet goed loopt, terwijl die fase in het rapport van de Gezondheidsraad als zorgvuldig en goed wordt beschreven. Hij merkt op dat ouders het vooral problematisch vinden dat ze met hun zorgen rondom hun kind met genderdysforie zo snel naar een genderkliniek worden verwezen. Dit komt mede doordat het bij zijn cliënten vaak gaat om ouders voor wie de genderdysforie van hun kind als een verrassing komt, pas laat in de puberteit (rond 15/16 jaar). Ouders zien vaak een andere oorzaak voor deze plotselinge dysforie, zoals een relatie die uitgaat of het ontdekken van de eigen seksualiteit.
Ouders gaan zelf vaak naar bijvoorbeeld een huisarts en willen dan dat er breder wordt gekeken naar hun kind. Is er bijvoorbeeld sprake van pesten, trauma of neurodiversiteit? Bij een verwijzing naar een kliniek merken ze dat ze met dergelijke vragen snel buiten spel worden gezet, zeker als hun kind 16 jaar of ouder is. Dat is immers de wettelijke leeftijd van waaraf kinderen zelf mogen beslissen over medische behandelingen. Oosterhagen heeft ook zaken meegemaakt waarbij er onderliggend onverwerkt trauma was, waarbij de persoon die getransitioneerd is nu zegt: als ik voor dat trauma was behandeld, was ik nooit in transitie gegaan. Oosterhagen heeft dus vraagtekens bij de zorgvuldigheid (die de Gezondheidsraad juist benoemd) van de diagnostiek in het hele proces, met name wanneer ouders, die hun kind goed kennen, buiten spel worden gezet.
Pieter Omzigt heeft ook zorgen rondom de behandeling van transgender personen in Nederland. Met name omdat hij een groot verschil ziet tussen de eerste groep mensen die vanuit de Dutch Protocol werd behandeld en de groep die nu behandeld wordt. De eerste groep was een vrij kleine en afgebakende groep, waarbij dysforie al van jongs af aan aanwezig was en waar ouders het eens waren met de behandeling.
De groep die nu behandeld wordt, is veel groter en er is een grote groep ouders waarbij het kind zonder hun toestemming wordt behandeld. Dat is dus heel anders dan de manier waarop het Protocol is ontwikkeld. Het ontbreekt aan voldoende onderzoek naar de lange en korte termijn effecten van deze behandelwijze op deze nieuwe groep.
De Gezondheidsraad heeft gekeken of de huidige behandelwijze past binnen het gezondheidsrechtelijke kader (en dat is ook belangrijk), maar niet zo zeer naar de gezondheidsuitkomsten van de behandeling en of die in lijn zijn met de beoogde uitkomsten. Juist omdat er in andere landen gekeken is naar gezondheidsuitkomsten, is daar het beleid rondom transgenderzorg aangepast.
Presentator Rutger Castricum heeft ook gesproken met de verantwoordelijke minister, de huidige minister van VWS Sophie Hermans. Zij geeft aan dat ze nog op het rapport moet reageren richting de Kamer. Ze gaat niet inhoudelijk in op de vragen over wat ze gaat doen met de aanbevelingen, of er meer onderzoek gaat komen, of wat ze gaat doen met de uitspraak dat er onvoldoende bewijs is voor het Dutch Protocol. Ze benadrukt wel dat het rapport ook concludeert dat genderzorg in Nederland goed en zorgvuldig is ingericht.
Onze zorg
Wij vinden dat de zorgen die in deze aflevering geuit worden, zoals de verandering van de groep die behandeld wordt, de dubbele diagnoses die de behandelde personen hebben en het ontbreken van informatie over lange termijn effecten, terecht zijn. Alle signalen maken dat de oproep tot meer onderzoek naar wat een verantwoorde aanpak voor genderdysforie is, gerechtvaardigd is. Dat een (door de instelling zelf ontwikkelde) procedure zorgvuldig verloopt, betekent niet dat de keuzes, de handelwijze of de behandeling ook gezond, volgens informed consent, bewezen effectief of wenselijk is.
Ook delen we de zorgen over de impact op jongeren. Wat wij zien is dat er minder variatie lijkt te zijn onder jongeren. De vele groepjes van vroeger (alto’s, kakkers, nerds, gabbers, etc.) lijken verworden tot ‘groepjes’ die gaan over seksuele identiteit. Ook de variatie in man- en vrouw zijn lijkt juist smaller in plaats van breder te worden. Een stoere meid die vroeger als ’tom boy’ gezien zou worden, loopt nu het risico in de klas met ‘het’ aangesproken te worden.
Betreffende voorlichting zien we dat er steeds meer nadruk lijkt te komen liggen op ‘lichamen’ in plaats van ‘geslacht’, en we zien – helaas – dat in voorlichtingsmateriaal aan jonge kinderen wordt geleerd dat het jongens- of meisjes zijn een keuze is die, zelfs per dag, kan verschillen. We vinden dit een zorgelijke ontwikkeling.
![Stichting [Zorg voor Seksualiteit] voor professionals organisaties vragen seksuele vorming op school](https://zorgvoorseksualiteit.nl/wp-content/uploads/2023/01/Voor-professionals-zvs-300x119.jpg)

![Zorg mee - Stichting [Zorg voor Seksualiteit]](https://zorgvoorseksualiteit.nl/wp-content/uploads/2023/01/Zorg-mee-1-300x145.jpg)


![Stichting [Zorg voor Seksualiteit] voor professionals organisaties vragen seksuele vorming op school](https://zorgvoorseksualiteit.nl/wp-content/uploads/2023/01/Voor-professionals-zvs.jpg)